Spelling en grammatica

Spelling en grammatica

Hieronder vind je een overzicht met de belangrijkste regels van de Nederlandse taal.

Dat of wat?

Dat verwijst terug naar een zelfstandig naamwoord. Dus: het bedrijf dat, het kind dat.
Wat verwijst terug naar een zinsdeel of iets onbepaalds. Dus: het regent vandaag, wat ik jammer vind. Of: Dat is alles wat je krijgt.

D’s en t’s: tegenwoordige tijd

Regel: stam + t
ik loop, jij loopt, hij/zij/u loopt
ik vind, jij vindt, hij/zij/u vindt
Let op: loop je? Loopt je vader?

Ezelsbruggetje: vul ‘lopen’ in en je hoort of er nog een -t achter komt.

D’s en t’s: verleden tijd

Regel: stam + de
            stam + te (’T KoFSCHiP)
ik verfde, jij verfde, hij/zij/u verfde (want: de stam is verv)
ik werkte, jij werkte, hij/zij/u werkte

Ezelsbruggetje: luister naar de klank. Je hoort of er een -te of –de achter komt.

D’s en t’s: voltooid deelwoord

Regel: (ge+) stam + d
            (ge+) stam + t (’T KoFSCHiP)
ik heb geverfd, jij hebt geverfd, hij/zij/u heeft geverfd (want: de stam is verv)
ik ben verhuisd, jij bent verhuisd, hij/zij/u is verhuisd (want: de stam is verhuiz)

Ezelsbruggetje: verleng het werkwoord. Je hoort of er een -t of -d komt.

Engelse werkwoorden

Vervoeg je op dezelfde wijze als het Nederlands. Je kijkt alleen niet naar de laatste letter, maar je luistert of de laatste klank in het kofschip zit. Zo ja? Dan krijgt het woord een -t in de verleden en voltooide tijd. Let ook op de ‘magic e’. Dus:

  • sms’en: ik sms, hij sms’t, hij sms’te, heeft ge-sms’t
  • e-mailen: ik e-mail, hij e-mailt, hij e-mailde, heeft ge-e-maild
  • deleten: ik delete, hij deletet, hij deletete, heeft gedeletet
  • faxen: ik fax, hij faxt, hij faxte, heeft gefaxt

Hen of hun?

Hun:

  • bezittelijk voornaamwoord (hun huis)
  • geen voorzetsel, wel mogelijk (ik geef hun de kaartjes)

Hen:

  • na voorzetsel (geef het aan hen)
  • geen voorzetsel, ook niet mogelijk (ik heb hen gezien)

Samenstellingen

Een samenstelling is een combinatie van woorden die ook zelfstandig kunnen voorkomen. Alle samenstellingen schrijf je aan elkaar. 

Dus: langetermijnplanning, vrijetijdsbesteding, foutparkeren

Tussen-n

Regel: schrijf een tussen-n in samenstellingen als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -(e)n  heeft. 

Dus: krantenartikel, pannenkoek, hondenhok.
En: groentezaak, horlogemaker, aspirineleverancier.

Uitzondering 1

Het woord is een bijvoeglijk naamwoord en het eerste deel heeft een versterkende betekenis (je kunt het vervangen door ‘heel erg’). Dus: beretrots, reuzeleuk, boordevol.

Uitzondering 2

Het eerste deel is in de gegeven context ‘enig in zijn soort’. Dus: zonnebank, Koninginnedag, maneschijn.

Uitzondering 3

Versteend en vermeend: één van beide delen is niet meer herkenbaar als afzonderlijk woord in de oorspronkelijke betekenis. En: het lijkt een samenstelling, maar dat is het niet. Dus: bolleboos, flierefluiter, klerelijer.

U of uw?

U is een persoonlijk voornaamwoord. Je kan dit bijvoorbeeld vervangen door hij, hem, of ik.
Uw is een bezittelijk voornaamwoord. Je kan dit bijvoorbeeld vervangen door zijn of mijn.

Dus:

Hoe heet u? Want je zegt ook: Hoe heet hij?
En: Wat is uw naam? Want je zegt ook: Wat is zijn naam?

Voltooid deelwoord: bijvoeglijk gebruikt

Altijd de kortste vorm. 

Dus:  

De verbrande rolluiken
Het gestrande schip

Voorzetsels

Een voorzetsel schrijf je aan het werkwoord vast, als het in het ‘hele’ werkwoord ook vaststaat. 

Dus: uithalen en halen uit.

Staat er, daar, hier of waar voor een voorzetsel dat niet aan een werkwoord vastzit? Dan schrijf je het aan deze woorden vast. Dus: ik ga ervan uit, ervoor in aanmerking komen.

Wanneer een streepje?

  1. gelijkwaardige delen. Dus: chef-kok, zwart-witfoto;
  2. bij botsende klinkers. Dus: toe-eigenen, zo-even;
  3. bij bepaalde voorvoegsels: pro-, interim-, ex-, niet-;
  4. bij aardrijkskundige namen en hun afleidingen. Dus: Zuid-Afrikaans, Noord-Hollander, West-Vlaams;
  5. samenstellingen met cijfers, afkortingen en symbolen. Dus: 80-jarige, tv-kijken, e-mail.

Wanneer een trema?

  1. bij niet samenstellingen, afleidingen en getallen. Dus: verifiëren, beëindigen, tweeëntwintig;
  2. bij het meervoud van woorden die op ‘ie’ eindigen. -ën als de klemtoon op de laatste lettergreep valt. Dus: knieën. -n als de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt. Dus: oliën.

Tip

Bij twijfel over de juiste spelling en grammatica is onzetaal.nl een handige site.